Volkshuisvesting

Van krot naar droomwoning

Otten-ik moet naar een nkleinere woning - 98dpi
Uitgegeven door: Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting, 1975

Fietstocht
Particuliere woningbouw in de tweede helft van de negentiende eeuw, is het thema van deze fietstocht, die in 2015 werd ontwikkeld ter herdenking van het 100-jarig bestaan van de Gemeentelijke Woningdienst.

De tocht gaat langs woningbouwcomplexen die filantropen in de tweede helft van de negentiende eeuw lieten bouwen. De woningen moesten kostendekkend èn betaalbaar zijn voor (losse) arbeiders en hun gezinnen.
Al in de tweede helft van de negentiende eeuw deden deze pioniers van de volkshuisvesting concessies aan hun idealen betreffende de huisvesting van het volk. Dit omdat de bewoners van arme buurten, de Jordaan en de Jodenbuurt (Marken, etc.), de huur gewoonweg niet konden betalen.

Veel projecten kwamen tot stand dankzij de enorme inzet van Johanna. E. ter Meulen (1867 — 1937) en Mercier, Helena (1839-1910).

Architecten die bij projecten in de Jordaan betrokken waren zijn:  P. J. Hamer (1812 – 1887); J. E van der Pek (1865-1919),  Christiaan Posthumus Meyjes sr. (1858-1922) en H. P. Berlage (1856 – 1934).

Deze  pioniers maakten met woningbouwexperimenten de urgentie van de Woningwet inzichtelijk. De Vereniging ten behoeve van de Arbeidersklasse (VA) wilde hele woonblokken saneren. Ook de Woningmaatschappij Oud-Amsterdam NV waarvan Johanna ter Meulen de oprichtster en directeur was.
De panden in de Jordaan opknappen was arbeidsintensief en kostbaar omdat er veel kleine eigenaren waren die schadeloos moesten worden gesteld. Het slopen en bouwrijp maken van de percelen was ook een flinke klus. Mede dankzij de inzet van deze pioniers werd in het kader van de Woningwet (1901) de Gemeentelijke Woningdienst in 1915 opgericht.

In 1912 werden in de Noord-Jordaan veel woningen geïnspecteerd en in oktober van dat jaar werden op de gevel van de afgekeurde woningen bordjes gespijkerd. De sanering van de Jordaan werd echter vanaf 1915 vrijwel stilgelegd.

De onbebouwde weilanden in Amsterdam Noord lokten, daar hoefde niet te worden gesloopt. Opvattingen over de volkshuisvesting konden daar daarom goedkoper worden gerealiseerd. Om de directe woningnood weg te nemen week de Gemeentelijke Woningdienst dus uit naar Amsterdam Noord en bouwde daar in allerijl tijdelijke dorpen, zoals Obelt (1917-1929),  Ericadorp dat eind jaren dertig weer werd afgebroken, Asterdorp, dat gesloopt werd in de jaren vijftig en Disteldorp en Vogeldorp.

Veel bordjes met de tekst onbewoonbaar verklaarde woning, die in 1912 in de Jordaan waren opgehangen, hingen er in de jaren zeventig nog steeds.

Rond 1968 werd in de Jordaan de noodklok geluid.